Natuur tussen Maas en Rijn beleven!



Startpagina.
Algemene informatie over de Eifel.
Excursies en lezingen.
Deelgebieden:
-
Eifel
-Limburg
Natuurreservaten en wandelgebieden.
Geschiedenis van de Eifel.
Archeologische plekken.
Historische plaatsen.
Water in de Eifel.
Geologie van de Eifel.
Oude ambachten.
Mijnbouw & oude
industrie.
Paddenstoelen.
Wildparken & Musea.
Feesten.
Heiligen.
Wandelroutes.
Kinderwagenwandelingen.
Links.
Over ons.
Contact/Colofon.
Fotopagina´s.
Alfabetisch register
Naar de Duitstalige sites/ Zu den deutschen Seiten.













Naturschutzgebiet Langfigtal/ Ahrschleife bei Altenahr.

Ligging: Kreis Ahrweiler, bij Altenahr.
Oppervlakte:
Hoogteligging: 156-388 m boven NN.
Onder bescherming sinds: 1983.

Algemeen.

Het Langfigtal is het laatste nog natuurlijk ogende gedeelte van het Ahrdal tussen Kreuzberg en de monding van de Ahr. Door de bouw van de tunnel bij Altenahr kwam deze Ahrmeander buiten het doorgangsverkeer te liggen en langzaam maar zeker nam de natuur weer bezit van dit gedeelte van het dal. De wijngaarden raakten langzaam maar zeker overgroeit door bramen en andere struiken en ook de weilanden verruigden en verbosten.
In de jaren zestig van de vorige eeuw bestonden plannen om in deze meander een stuwmeer aan te leggen, maar nadat deze van tafel waren geveegd, kon het natuurreservaat zich volledig ontplooiien en ontwikkelde het zich tevens tot een geliefd wandelgebied. In 1983 werd het een natuurreservaat.
Het gebied bestaat uit thermofiele bossen op de zuidhellingen, koeke, vochtige beukenbossen op de noordhellingen, verlaten wijngaarden, verruigde hooilanden en op de smalle dalbodem is ook nog ruimte voor het riviertje de Ahr.

Geologie.

Het Langfigtal kent enkele enorm steil opragende rotsen uit leisteen waarop nog de golfribbels uit het Devoon te zien zijn. Het is een grote meander van de Ahr die bijna afgesneden is, enkel een ongeveer 100 meter brede rots moet nog doorsneden worden. Bij hoofwater neemt de rivier soms al de afkorting, dan stroomt ze door de tunnel die in 1880 door de rots geboord werd.

Flora.

Op de steil opragende rotsen in het Langfigtal, maar ook rondom het Teufelsloch, groeien diverse planten die aan de extreme leefomstandigheden zijn aangepast. Niet alleen kan de temperatuur hier enorm oplopen, ook valt er vaak maar zeer weinig neerslag. Daarnaast is de standplaats vaak bijna verticaal, hetgeen ook niet voor alle planten geschikt is. Op deze verticale plaatsen kan zich namelijk maar moeilijk humus ophopen, waardoor er weinig voedingsbodem voor de planten is. Op de allerdroogste en –warmste plekjes groeit de plantengemeenschap van Rotsanjer en Schapengras (Diantho-Festucetum). De naamgevende soorten zijn Schapengras (Festuca glauca) en de zeer zeldzame Rotsanjer (Dianthus gratianopolitanus), een tien tot dertig centimeter hoge anjer met welriekende, alleenstaande bloemen die in de tweede helft van mei en de eerste helft van juni bloeien. In het Duits wordt ze `Pfingstnelke` genoemd en vaak bloeit ze ook rond deze feestdag. Een andere bijzondere soort is afkomstig uit het Middelandse zeegebied, namelijk Brilkruid (Biscutella laevigata). Brilkruid staat vaak in smalle rotsspleten.
Aan de voet van de rotsen ligt vaak losliggend puin waarop onder meer Hertswortel (Seseli libanotis), Melige toorts (Verbascum lychnitis), Stijve steenraket (Erysimum hieraciifolium) en Slangenkruid (Echium vulgare) groeien.
Op vochtige rotsen groeit Blauwgras (Sesleria varia), dat al in april bloeit.
Langs de Ahr zelf groeit in verruigde graslanden en op plekken waar zand is afgezet onder meer Gevlekte scheerling (Conium maculatum), Grote brandnetel (Urtica dioica), Damastbloem (Hesperis lunaria), Kruisbladwalstro (Cruciata laevipes) en Grote hardvrucht (Bunias orientalis).Helaas groeien er ook exoten als Japanse duizendknoop (Fallopia japonica) en Reuzenbalsemien (Impatiens glandulifera). Op het water drijven de witte bloemen van Vlottende waterranonkel (Ranunculus fluitans)
Langs het water groeien Zwarte elzen (Alnus glutinosa) waaronder in het vroege voorjaar, voordat de bladeren van de bomen zijn uitgelopen, de kleine gele bloemen van de Bosgeelster (Gagea lutea) bloeien. Ook bloeit er Gele anemoon (Anemone ranunculoides). Op zand- en grindbanken aan de rand van het water bloeien vroeg in het voorjaar de paarsroze pluimen van het Groot hoefblad (Petasites hybridus). In de zomermaanden verschijnen de grote, donkergroene bladeren. Aan de voet van Canadapopulieren (Populus x canadensis) verschijnt in het voorjaar een andere merkwaardige plant, namelijk de Bleke schubwortel (Lathrea squamaria). De lichtroze bloemen van deze parasitisch levende plant ontspruiten aan de stengels aan de voet van de bomen en worden graag bezocht door hommels.
Iets later bloeit hier veel Fluitenkruid (Anthryscus sylvestris), de zoet geurende, roze Damastbloem (Hesperis meridionalis) en Gevlekte dovenetel (Lamium maculatum). Hoger op de helling liggen verlaten wijngaarden, waarvan doorgaans enkel nog de terrassen en eventueel de muurtjes te zien zijn. Vaak zijn ze compleet overgroeit met struweel van rozen (Rosa sp.), bramen (Rubus sp.), Sleedoorn (Prunus spinosa) en Weichselboom (Prunus malaheb).
Op de zuidelijk geëxponeerde hellingen groeit een open eikenbos, dat vroeger als hakhout werd geëxploiteerd. Dit is te zien doordat de bomen vaak uit dikke stobben uitlopen en meerstammig zijn. Dit wijst op het vroegere gebruik als hakhout. De bossen bestaan vaak uit Zomereiken (Quercus robur), Zomerlinde (Tilia platyphyllos), Hazelaar (Corylus avellana), Zoete kers (Prunus avium), Rode kornoelje (Cornus sanguineum) en Haagbeuk (Carpinus betulus). De palen van de Haagbeuken (Carpinus betulus) werden vroeger gebruikt om de druiven aan op te binden. In deze bossen groeien op de zure ondergrond soorten als Valse salie (Teucrium scorodonium), Knollathyrus (Lathyrus linifolius), Hengel (Melampyrum pratense), Bochtige smele (Deschampsia flexuosa) en Grote muur (Stellaria holostea). In het voorjaar bloeien Vingerhelmbloem (Corydalis solida) met vuilpaarse bloemen en handvormige schutbladeren en Welriekende salomonszegel (Polygonatum odoratum) met een vrij gedrongen kantige stengel waaronder de vrij lange witte bloemen en donkerblauwe bessen hangen. In de open bossen groeien Ruig viooltje (Viola hirta) en Witte engbloem (Vincetoxicum hirundinaria). Het Perzikbladig klokje (Campanula persicifolia) heeft 2,5-4 cm grote lichtblauwe klokjes.Ook de Grote graslelie (Anthericum liliago) is een typische soort van open, thermofiele bossen en oorspronkelijk afkomstig uit Zuid-Europa. De tere witte bloemen met een lange stijl staan verspreid aan een stevige lange stengel. Deze ontspruit uit een stevige rozet van smalle bladeren.
Op rotsen en op oude eikenstobben groeien grote plakaten Gewone eikvaren (Polypodium vulgare). Ze zijn goed herkenbaar aan de grote ronde sporenpakketjes onderop de bladeren.
Op de noordelijke helling, zoals bij de brug over de Ahr, groeit een Veldbies-Beukenbos () met Beuk (Fagus sylvaticus) en Witte veldbies (Luzula luzuloides). Een zeldzame kruisbloemige is Bolletjeskers (Cardamine bulbifera), met zwarte broedbolletjes tussen de bladeren. In het voorjaar bloeit Gulden boterbloem (Ranunculus auricomus) met bloemen waarvan de kroonbladeren vaak deels ontbreken.
Bovenaan de helling, waar zonnestraling en droogte nauwelijks nog vegetatie toelaten, groeit een vegetatie die `Felsenheide` wordt genoemd. Hierin groeien allerlei xerofieten als Steenbreekvaren (Asplenium trichomanes), Zwartsteelvaren (Asplenium adiantum-nigrum), Noordse streepvaren (Asplenium septentrionale), Schubvaren (Ceterach officinarum), Gewone eikvaren (Polypodium vulgare), Wit vetkruid (Sedum album), Tripmadam (Sedum reflexum), Karthuizer anjer (Dianthus carthusianorum), Pekanjer (Lychnis viscaria), Absinth-alsem (Artemisia absinthium) en Grote graslelie (Anthericum liliago).

Fauna.

Door het milde klimaat van het Ahrdal, met zachte winters en hete zomers, is het dal zeer geschikt voor reptielen. Op de rotsen en stapelmuurtjes leven Muurhagedissen (Podarcis muralis). In het dal van de Ahr komt de ondersoort merremia voor. Deze ondersoort is na de laatste ijstijd via een oostelijke route, door het Rijndal noordwaarts getrokken. De andere ondersoort, brogniardi, heeft een westelijke verspreiding en is via het dal van de Maas noordwaarts tot bij Maastricht getrokken.
De mannetjes van de Muurhagedis dragen in het voorjaar een oranje keel en hebben allerlei groene en blauwe vlekken op hun buik. De wijfjes zijn herkenbaar aan de witte strepen op de flanken. Aangezien ze geen winterslaap houden, zonnen Muurhagedissen vaak al vroeg in het jaar.
Een predator van de Muurhagedissen is de Gladde slang (Coronella austriaca). Deze soort leeft, net als de hagedissen, hogerop de helling. Langs de waterkant leeft de Ringslang (Natrix natrix), goed herkenbaar aan de geelwitte halvemaanvormige vlekken in de nek. Een zeldzame soort in het dal van de Ahr is de Dobbelsteenslang (Natrix maura). Deze soort heeft hier een van haar noordelijke voorposten. De Dobbelsteenslang is een slang die echt aan het water gebonden is en zich voornamelijk met vissen en amfibieën voedt. Haar huid is groenachtig en valt daardoor nauwelijks op. Gewone padden (Bufo bufo) zetten hun eisnoeren af in stilstaande plassen langs de rivier en in dode rivierarmen.
Bijzondere dagvlinders zijn de Koningspage (Iphiclidus podalirius) en de Koninginnepage (Papilio machaon). Deze goede vliegers zweven op de opstijgende warme luchtstromen. Zowel in het voorjaar als in de zomer zitten Argusvlinders (Lasiomata megera) op de muurtjes en wegen te zonnen. Op de paden tussen de wijngaarden vliegen vaak Blauwvleugelsprinkhanen (Oedipoda caerulescens) op. Door hun goede schutkleuren vallen ze pas op vanaf het moment dat ze wegvliegen en hun lichtblauwe vleugels korte tijd zichtbaar worden. Op bramen (Rubus sp.) leven allerlei sprinkhanen, waaronder de donkerbruine Bramensprinkhanen (Pholidoptera griseoaptera), die goed herkenbaar zijn aan hun groene buik, en Zaagsprinkhanen (Barbitistes serricauda), kleine vleugeloze sprinkhanen met een donkergroen lijf en een bruin halsschild.
De Grijze gors (Emeriza cia) met een bruinrood lichaam en een grijze kop met een enkele opvallende zwarte en witte strepen op de kop, kwam tot enkele jaren geleden voor in het Ahrdal. Door het steeds intensievere gebruik van de hellingen voor wijngaarden, en met name door het spuiten met gif, is deze Zuid-Europese soort die hier een noordelijke voorpost had, helaas verdwenen. Langs de Ahr leeft de Waterspreeuw (Cinclus cinclus), een zangvogel die zijn voedsel onder water zoekt. De Grote gele kwikstaart (Motacilla cinerea) is vaak op ongeveer dezelfde plekken te vinden, hoewel deze soort wel bijna altijd in de buurt van bebouwing leeft aangezien hij hier makkelijker nestlocaties kan vinden.
Steil opragende rotspunten worden door Slechtvalken (Falco peregrinus) als rustplaats gebruikt. Met hoge snelheden jagen deze behendige vliegers op allerlei zangvogels.

Onderweg in het gebied.

Door het Langfigtal lopen diverse wandelwegen. Een eenvoudige route start aan weerzijden van de tunnel langs de weg tussen Altenahr en Mayschoß. Deze route volgt de Ahr in desgewenst stroomop- of stroomafwaartse richting en verloopt de hele tijd op ongeveer dezelfde hoogte zodat hij voor iedereen goed te lopen is. Het lukt zelfs (met wat goede wil) met een kinderwagen. Een andere mogelijkheid is om vanaf het station van Altenahr steil omhoog te klimmen naar het Teufelsloch en halverwege het Langfigtal af te dalen naar de Ahr en daar een weg langs het water terug te kiezen. Deze route is duidelijk langer en zwaarder dan de eerstgenoemde en niet perse aan te bevelen voor gezinnen met kleine kinderen. Met kinderwagens is het zelfs absoluut onmogelijk.

Tijd.

Trek voor de 3,5 kilometer lange route door het dal 2 uurtjes uit zodat je ook de kans hebt alles op je gemak te bekijken. Kies je voor de route langs het Teufelsloch, dan moet je er nog een uurtje bij tellen. De mooiste tijd voor het bezoek aan het gebied is de maand mei, liefst aan het eind van de maand wanneer bij het Teufelsloch de Rotsanjers bloeien. Maar ook het voorjaar en de zomer en zelfs de herfst hebben hun charme.