Natuur tussen Maas en Rijn beleven!



Startpagina.
Algemene informatie over de Eifel.
Excursies en lezingen.
Deelgebieden:
-
Eifel
-Limburg
Natuurreservaten en wandelgebieden.
Geschiedenis van de Eifel.
Archeologische plekken.
Historische plaatsen.
Water in de Eifel.
Geologie van de Eifel.
Oude ambachten.
Mijnbouw & oude
industrie.
Paddenstoelen.
Wildparken & Musea.
Feesten.
Heiligen.
Wandelroutes.
Kinderwagenwandelingen.
Links.
Over ons.
Contact/Colofon.
Fotopagina´s.
Alfabetisch register
Naar de Duitstalige sites/ Zu den deutschen Seiten.













Vissen in de Roer.

Dankzij een vispassage bij de ECI-centrale in Roermond die in 2008 in gebruik werd genomen, is de Roer weer optrekbaar voor vissen en tevens ontstaat er steeds beter zicht op welke vissoorten in de Roer leven. Deze vispassage werd aangelegd met geld uit het Life-programma van de Europese unie en moet het mogelijk maken dat diverse vissoorten, zoals Zalm (), Zeeforel (Salmo trutta trutta) en de prikken weer vanuit de Noordzee, via de Maas hun paaiplaatsen in de bovenloop van de Roer kunnen bereiken. Momenteel zijn er ruim 34 verschillende soorten waargemen, een bijzonder hoog aantal voor Nederlandse begrippen. Zo werd in 2002 voor het eerst na 125 jaar de aanwezigheid van de Zalm (Salmo solar) in de Roer vastgesteld. Deze trekvis volgt de Roer tot in de bovenloop om daar eitjes af te zetten. Andere bijzondere vissen in de Roer zijn de prikken, primitieve vissen zonder skelet, maar met een inwendige versterking door kraakbeen. Niet alleen de Beekprik (Lampetra planeri), een standvis waarvan de larves in het slib leven en de volwassen dieren met hun zuigmond een nestkuiltje graven waarin ze hun eitjes afzetten om vervolgens te sterven, maar ook de Rivierprik (Lampetra fluviatilis) en de Zeeprik (Petromyzon marinus) hebben de Roer ontdekt en trekken de rivier op om te paaien. Beide laatstgenoemde soorten trekken vanuit de zee naar paaiplekken in de bovenloop van de Roer. Daar leven de jonge dieren eerst enkele jaren ingegraven in de bodem van de rivier. Na de metamorfose trekken ze naar zee om daar een parasitair leven te leiden. Daartoe hebben ze in hun bek scherpe tanden waarmee ze zich in andere vissen vastbijten. Na een aantal jaren trekken ze dan weer terug naar de bovenloop van de rivier om te paaien waarna ze sterven.

Vissoorten in de Roer.

In de Roer was tot in de jaren 1980 nauwelijks leven mogelijk door de sterke watervervuiling. In die periode waren er slechts acht soorten vissen in de Rur aawezig. De waterkwaliteit verbeterde echter door het verminderen van lozingen en de toegenomen waterzuivering. Anno 1989 werden al weer meer dan 30 soorten vissen in de Roer gezien. Om de Roer vanuit de Maas beter optrekbaar te maken is er in de jaren 1980 een vistrap van de Hambeek naar de Roer aangelegd.

Tot 1991 zijn in de Roer de volgende vissen waargenomen.

Paling.

De Paling (Anguila anguila) of Aal leeft met name op plekken waar stenen gestort zijn. Deze vissoort woelt graag de bodem om en neemt daarbij zeer veel PCB ’s uit het bodemslib op, waardoor de dieren ongeschikt zijn voor consumptie. Plaatselijk wordt deze soort Aol of Paoling genoemd.

Alver.

De Alver (Alburnus alburnus) is een vis die maximaal 20 centimeter groot kan worden. Met zijn naar boven gerichte bek zoekt hij het voedsel met name aan het wateroppervlak. Daar vangt hij onder meer kleine vliegjes. Dit doet hij in het voorjaar zelfs in grote scholen. Door hengelaars werden de gevangen Alvers samen met enkele eieren in een grote koekenpad gebakken en opgegeten als Aavelekook. De lokale naam is Aavel.

Baars.

De Baars (Perca fluviatilis) komt in grote aantallen in de Roer voor, op de Blankvoorn na is het zelfs de meest voorkomende vissoort. Deze vis kan wel 35 centimeter lang worden en een leeftijd van 18 jaar bereiken. Kenmerkend zijn de twee gescheiden rugvinnen die voorzien zijn van scherpe stekels.

Barbeel.

De Barbeel (Barbus barbus) is een sterke, gestroomlijnde bodemvis met een lange kop en een naar boven gerichte bek die hij opvallend kan uitstulpen. Met de bekdraden, die zich zowel in de mondhoeken als op de bovenlip bevinden, tast hij naar voedsel op de bodem. Barbelen kunnen een leeftijd van 25 jaar bereiken en zijn dan soms wel 70 centimeter lang. De Barbeel is een kenmerkende soort voor de benedenloop van de Roer, de zogenaamde barbeelzone. Lokaal wordt hij Berf genoemd.

Beekforel.

De Beekforel (Salmo trutta fario) is zeer gevoelig voor verslechtering van de waterkwaliteit. Daardoor was de soort lange tijd verdwenen uit de Roer. Een kenmerk van de zalmachtigen is de zogenaamde vetvin achter op de rug, deze is bij de Beekforel oranje-rood van kleur. De Beekforel is een standvis. Deze soort kan een lengte van 40 centimeter bereiken.

Bermpje.

Het Bermpje (Neomacheilus barbatulus) is een langwerpige vis met een lichaam dat naar de kop toe wordt afgeplat. In de bek staan zes bekdraden van ongelijke lengte. Ten dele is het dier geschubd met opvallend kleine schubjes. Het Bermpje is karakteristiek voor schoon, zuurstofrijk stromend water. De dieren worden maximaal 16 jaar oud en bereiken een lengte van 12 tot 15 centimeter.

Blankvoorn.

De Blankvoorn (Rutilus rutilus) is de meest algemene vis in de Roer. Vaak wordt de soort met andere voornachtigen verward. Goede kenmerken van deze soort zijn de eindstandige bek en de oranje vlek in het oog. De voorzijde van de rugvin staat precies boven de voorzijde van de buikvin. In de Roer wordt de Blankvoorn maximaal 14 jaar oud en bereikt dan een lengte van 35 centimeter. In het Roerdal wordt hij Ruts genoemd.

Brasem.

De Brasem (Abramis brama) is een vis die een dikke slijmlaag heeft en een kenmerkende hoge rug. De Brasem kan 18 jaar oud worden en daarbij een lengte van 80 centimeter bereiken. In de Roer worden de dieren doorgaans niet groter dan 55 centimeter. In het Roerdal worden ze Breesem genoemd.

Driedoornige stekelbaars.

De Driedoornige stekelbaars (Gasterosteus aculeatus) hebben op de rug drie tot vier stekels en aan de buikzijde aan weerszijden één stekel. Deze stekels beschermen de dieren tegen vrag door roofvissen. Een verdere bijzonderheid is het nest dat het mannetje in de paaitijd op de zandbodem bouwt. Hierin worden de eitjes gelegd waarna het mannetje zijn sperma erover uitspreidt. In het paarseizoen zijn de mannetjes vuurrood van kleur. Driedoornige stekelbaarsjes worden maximaal drie jaar oud en zijn dan maximaal tien centimeter lang.

Grote modderkruiper.

De Grote modderkruiper (Misgurnus fossilis) is een vis die in het verleden op plekken met modderige bodems en weinig stroming in de Roer voorkwam. De dieren kunnen maximaal 25 centimeter lang worden. Kenmerkend zijn de tien bekdraden. Vier daarvan staan op de onderlip, twee in de hoek van de bek en vier op de bovenlip. Over de lengte van het lichaam lopen donkere anden. Het lichaam is lang, cylindervormig en naar achteren zijdelings afgeplat.

Kolblei.

De Kolblei (Blicca bjoerkna) wordt plaatselijk als “bliek” of ”bleek” aangeduidt. Hoewel de Kolblei qua lichaamsbouw sterk op de Brasem (Abramis brama) lijkt, is het oog bij de Kolblei groter dan de afstand van het oog tot de punt van de bek. Ook blijft de Kolblei veel kleiner en bereikt op 15-jarige leeftijd een lengte van 35 cm.

Kopvoorn.

De Kopvoorn (Leuciscus cephalis), in het Roerdal “meun” genoemd, leeft in matig stromende gedeelten van de rivier.Voor zijn ei-afzet is een stenige ondergrond of de aanwezigheid van andere obstakels van groot belang. De kopvorm is een alleseter die zelfs andere vissen eet. Kopvoorns bereiken een lengte van 65 cm bij een leeftijd van meer dan 20 jaar.

Pos.

De Pos (Gymnocephalus cernua) die in het Roerdal “Joeet” of “Juutje” wordt genoemd, is bij hengelaars niet geliefd vanwege de scherpe stekels op het voorste gedeelte van zijn rugvin. Het is een pioniersoort die in allerlei soorten wateren kan leven. Hij prefereert een modderige bodem. De Pos kan 12 jaar oud en 20 cm lang worden.

Regenboogforel.

De Regenboogforel (Salmo gairdneri) is een exotische vissoort die vanwege de hengelsport is uitgezet. De soort komt uit Noord-Amerika en is rond de wisseling van de 19e naar de 20e eeuw in Europa in zwang gekomen. De dieren zijn beter tegen watervervuiling bestand dan de inheemse Beekforel (Salmo trutto fario). In tegenstelling tot de Beekforel heeft de Regenboogforel over zijn hele lichaam zwarte vlekjes, zelfs over zijn vinnen. De purpuren band met daarin ook groenige of blauwachtige tinten over zijn flanken heeft hem zijn naam gegeven.
Door de hoge stroomsnelheid en de morfologie van de Roer kan het riviertje als een geschikt water voor salmoniden (zalmachtigen).

Riviergrondel.

De Riviergrondel (Gobio gobio) of “geuf” is een karperachtige vis die graag op de bodem vertoeft. Hij heeft twee bekdraden aan zijn naar beneden gerichte bek, een langgerekt en rond lichaam en opvallend grote schubben. Ook zijn vinnen zijn behoorlijk groot. De Riviergrondel prefereert koel, helder, zuurstofrijk water met een zandige of een grindbodem.

Rivierprik.

De Rivierprik (Lampetra planeri) is een van de drie soorten prikken in de Roer. Opvallend is de ronde bek waarop een klein aantal onregelmatig verdeelde tandjes staat. Achter de ogen staan zeven kieuwopeningen. Op de kop staat tevens een spleetvormige kieuwopening. Hieraan dankt het dier zijn plaatselijke naam “negenoog”. De dieren leven eerst in zoet water, maar trekken bij het bereiken van het volwassen stadium naar zee. Tegen de paaitijd trekken ze weer terug naar de bovenloop van de rivieren.

Kolblei.

De Kolblei (Aspius apsius) is een exotische roofvis die door Duitse uitzettingen het Nederlandse deel van de Roer heeft bereikt. Het is een echte roofvis met een opvallend grote bek die vis eet en zelfs zo nu en dan een eendenkuikentje niet versmaad.

Ruisvoorn.

De Ruisvoorn (Scardinius erytrophtalmus), ook wel Rietvoorn of, plaatselijk, “reeruts” genoemd onderscheidt zich door de naar boven gerichte bek en het duidelijk naar achter staan van de rugvin t.o.v. de buikvin van de Blankvoorn (Rutilus rutilus). De dieren leven niet in de Roer zelf, maar in de oude meanders en andere plassen in het rivierdal. Ruisvoorns worden 45 centimeter lang en kunnen maximaal 18 jaar oud worden.

Karper.

De Karper (Cyprinus carpio) is een vis met vier bekdraden. Twee daarvan zitten in de hoeken van de bek en twee kortere op de bovenlip. De rugvin is lang. Bij de karper worden, afhankelijk van de beschubbing, vier varieteiten voor namelijk de Schubkarper, de Rijenkarper, de Spiegelkarper en de Naaktkarper. De voorste vinstraal van de rugvin is stevig en getand. Karpers kunnen in de Roer een lengte van maximaal 60 centimeter en een leeftijd van 50 jaar bereiken. Plaatselijk heet de Karper “kerp”.

Serpeling.

De Serpeling (Leuciscus leuciscus) is een vis die alleen in helder, stromend water kan leven. De waterkwaliteit van de Roer is vooruitgegaan, waardoor deze soort zich ook in deze rivier thuisvoelt. De Serpeling kan een lengte van 30 cm bereiken. Lokaal heet de soort “gruus”. De Serpeling onderscheidt zich van de Blankvoorn (Rutilus rutilus) door de naar beneden gerichte bek, de hol ingesneden rug- en anaalvin en de geelachtige iris.

Sneep.

De Sneep (Chondrostoma nasus) wordt vanwege zijn vooruitstekende neus en naar beneden gerichte bek ook wel “koemoel” genoemd. De bovenlip is vleesachtig, de onderlip hard en hoornig. De Sneep heeft een torpedovormig lichaam en leeft in stromend, koel en zuurstofrijk water. Het is een planteneter die zich voedt met mos en wier op de grindige bodem van de Roer. Dit grind is in ondiepe banken ook nodig vanwege het paaien. De Sneep kan 50 cm lang en 25 jaar oud worden.

Snoek.

De grootste vis in de Roer is de Snoek (Esox lucius). Er is een exemplaar van 90 cm lengte gevangen. De Snoek heeft een platte, brede bek en in de kaken staan vlijmscherpe tanden waarmee deze roofvis andere vissen, ook soortgenoten, kikkers, eenden en ratten eet. De anaalvin is evenals de rugvin ver naar achter geplaatst. Op het lichaam staan goudkleurige stippen en strepen. Snoeken liggen vaak doodstil tussen de watervegetatie op de loer.

Snoekbaars.

Snoekbaars (Stizostedion lucioperca) is een roofvis die zich met kleine vissenvoedt. Snoekbaarzen hebben twee gescheiden rugvinnen. De voorste hiervan draagt harde stekels. De bovenkaak loopt tot achter het violet oplichtende oog door. Aan dit oog draagt de Snoekbaars de naam “glasoog”. Snoekbaarzen leven in enigszins troebel water met een stevige bodem. Snoekbaarzen in de Roer worden maximaal 50 cm groot.

Vetje.

Het Vetje (Leucaspius delineatus) is een klein visje dat maximaal twaalf cm lang kan worden. De maximale leeftijd is vijf jaar. Het dier heeft een onvolledige zijlijn, hetgeen het tweede deel van de wetenschappelijke naam “delineatus” ook al verraad.Vetjes hebben een in verhouding zeer groot oog. De weke schubben laten bij aanraking zeer snel los.


Vlagzalm.

De Vlagzalm (Thymallus thymallus) is de kenmerkende soort voor de zogenaamde vlagzalmzone van rivieren. Voor de Roer ligt de vlagzalmzone tussen Vlodrop en Sint-Odiliënberg. De Vlagzalm heeft een zeer grote rugvin die als een vlag bovenop zijn rug staat. Bij de staart staat een vetvin, een kenmerk van de zalmachtigen.

Winde

De Winde (Leuciscus idus) wordt in het Roerdal “winj” genaamd. De soort lijkt op de Kopvoorn (Leuciscus cephalis) en de Blankvoorn (Rutilus rutilis). Bij de Winde is de anaalvin echter hol ingesneden en bedraagt het aantal schubben op de zijlijn 56 tot 61.


Zeeforel.

De Zeeforel (Salmo trutta trutta) is een trekvis die zijn jeugdjaren in het zoete water verbrengt, maar daarna naar de zee trekt om volwassen te worden. Om te paaien trekt de Zeeforel dan weer terug naar de rivieren. Door het opheffen van allerlei barrières zoals stuwen keert de Zeeforel weer terug naar de Roer. Van de Zalm verschilt de Zeeforel door de bovenkaak die tot achter het oog doorloopt, terwijl dit bij de Zalm maar tot onder het oog is. Ook heeft de Zeeforel tussen de achterkant van de vetvin en de zijlijn 14 tot 17 schubben terwijl dit bij de Zalm 10 tot 13 is.

Literatuur:

Belgers,Thijs, 1991. De vissoorten in de Roer. In: Jaarboek Roerstreek ´91, Heemkundevereniging Roerstreek, Sint-Odiliënberg, pag.157-163.